/////

Rechtbank Den Haag wijst vordering van Zorgkantoor DSW B.V. ad €69.006 af; Zorgverlener hoeft slechts de onderzoekskosten ad €650 te betalen ( C/09/588779 / HA ZA 20-199)

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/588779 / HA ZA 20-199

Vonnis van 15 september 2021

in de zaak van

ZORGKANTOOR DSW B.V. te Schiedam,

eiseres,

advocaat mr. J. van der Meer te Schiedam,

tegen

FUSION ZORG B.V. te Delft,

gedaagde,

advocaat mr. B.A.S. van Leeuwen te Utrecht.

Partijen worden hierna het Zorgkantoor en Fusion Zorg genoemd.

1De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

de dagvaarding van 11 februari 2020, met producties 1 tot en met 37;

de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 18;

– het tussenvonnis van 7 oktober 2020, waarbij pro forma een mondelinge behandeling is bevolen;

– de rolbeslissing van 21 oktober 2020, waarbij de rechtbank heeft bepaald dat op grond van artikel 2 lid 1 Tijdelijke wet COVID-19 (Stb. 2020, 124) de mondelinge behandeling niet fysiek maar via Skype zal plaatsvinden;

– het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 18 februari 2021 en de daarin genoemde stukken.

1.2.

Het proces-verbaal van de mondelinge behandeling is buiten aanwezigheid van partijen opgemaakt. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om opmerkingen te maken over het proces-verbaal voor zover daarin feitelijke onjuistheden staan. Van deze gelegenheid hebben zij geen gebruik gemaakt.

1.3.

Ten slotte is een datum voor het wijzen van vonnis bepaald.

2De feiten

2.1.

Het Zorgkantoor is verantwoordelijk voor de uitvoering van de Wet langdurige zorg (Wlz) in de regio Westland, Schieland, Delfland. Zij zorgt ervoor dat verzekerde personen die recht hebben op langdurige zorg, die zorg ook krijgen. Dat doet zij door gecontracteerde zorgverleners die zorg te laten leveren (zorg in natura) of door aan de zorgbehoevenden een persoonsgebonden budget (pgb) te verstrekken waarmee zij zelf de benodigde zorg bij (niet gecontracteerde) zorgverleners kunnen inkopen. Daarnaast rust op het Zorgkantoor onder meer de verplichting om te controleren of gedeclareerde zorg daadwerkelijk en op doelmatige wijze is geleverd.

2.2.

Fusion Zorg richt zich op de levering van gezondheidszorg en overige gezondheidszorgondersteunende diensten. Fusion Zorg heeft onder meer zorg verleend aan de heer [A] (hierna: [de heer A] ).

2.3.

Bij besluit van 7 juli 2016 heeft het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) [de heer A] met ingang van 31 maart 2016 voor onbepaalde tijd geïndiceerd voor zorg op grond van de Wlz en wel voor het zorgprofiel ‘VV Beschut wonen met intensieve begeleiding en uitgebreide verzorging’. In het besluit is bij “OMVANG” vermeld: “Klasse 7 = 7 etmalen/week”.

2.4.

Bij het Zorgkantoor is een aanvraag voor een pgb voor [de heer A] ingediend, met een op 16 juli 2017 getekende zorgovereenkomst, waarin de broer van [de heer A] als gewaarborgde hulp wordt aangewezen (en in die hoedanigheid de overeenkomst heeft getekend) en Fusion Zorg als zorgverlener. In de overeenkomst staat dat Fusion Zorg vanaf 1 januari 2017 21 uur per week zorg aan [de heer A] zal verlenen voor een bedrag van € 2.940 per maand (€ 35.280 per jaar).

2.5.

Het Zorgkantoor heeft bij beschikking van 11 januari 2018 een pgb aan [de heer A] toegekend voor het jaar 2018 voor een jaarbudget van € 36.523. Zij is daarbij uitgegaan van het door het CIZ vastgestelde zorgprofiel.

2.6.

Op 6 juli 2018 heeft het Zorgkantoor het pgb over 2017 vastgesteld op € 34.503.

2.7.

Naar aanleiding van een melding van de gewaarborgde hulp van [de heer A] is het Zorgkantoor gebleken dat Fusion Zorg maandelijks € 4.929 in plaats van € 2.940 declareerde bij de Sociale Verzekeringsbank (hierna: SVB), de organisatie die het pgb uitbetaalt. Deze declaraties waren gebaseerd op een op 31 oktober 2017 door Fusion Zorg en [de heer A] zelf ondertekende zorgovereenkomst. In die overeenkomst staat dat Fusion Zorg vanaf 1 januari 2017 zorg aan [de heer A] zal verlenen voor een bedrag van € 4.929 per maand.

2.8.

In augustus en september 2018 heeft het Zorgkantoor gesprekken gevoerd met de gewaarborgde hulp van [de heer A] en met [de heer A] zelf over de aan hem geleverde zorg. Vervolgens heeft het Zorgkantoor Fusion Zorg bij brief van 11 september 2018 op de hoogte gesteld van haar bevindingen over de declaraties en de geleverde zorg en het op basis daarvan bij haar bestaande voornemen om het met ingang van 1 januari 2017 uitbetaalde pgb van heer [de heer A] bij Fusion Zorg terug te vorderen.

2.9.

Bij brief van 22 oktober 2018 heeft het Zorgkantoor Fusion Zorg bericht dat zij haar in de brief van 11 september 2018 weergegeven standpunt handhaaft. Het Zorgkantoor verzoekt Fusion Zorg een bedrag van € 69.656 (de in 2017 en 2018 uitbetaalde bedragen vermeerderd met de onderzoekskosten) aan haar over te maken. Fusion Zorg heeft niet voldaan aan dit verzoek.

2.10.

Bij brief van 31 oktober 2018 heeft het Zorgkantoor aan [de heer A] bericht dat het pgb over het jaar 2017 op € 0 zal worden vastgesteld en dat de toekenningsbeschikking voor het pgb over het jaar 2018 wordt ingetrokken. Vervolgens is op 28 november 2018 een nieuwe eindbeschikking voor het jaar 2017 afgegeven. Het Zorgkantoor heeft de uitbetaalde bedragen niet van [de heer A] teruggevorderd.

3Het geschil

3.1.

Het Zorgkantoor vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,

voor recht te verklaren dat Fusion Zorg in strijd heeft gehandeld met de Wet langdurige zorg en aanverwante regelgeving en daarmee een onrechtmatige daad jegens het Zorgkantoor heeft gepleegd;

Fusion Zorg te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van € 69.006 aan het Zorgkantoor;

Fusion Zorg te veroordelen tot betaling van de onderzoekskosten van € 650 aan het Zorgkantoor;

een en ander te vermeerderen met wettelijke rente en met veroordeling van Fusion Zorg in de proceskosten.

3.2.

Aan deze vorderingen legt het Zorgkantoor ten grondslag dat de verplichtingen die behoren bij het pgb van [de heer A] niet zijn nagekomen en dat het pgb daarom ondoelmatig is besteed. Volgens het Zorgkantoor is Fusion Zorg hiervoor verantwoordelijk, omdat zij – kort gezegd – heeft gefraudeerd met het pgb van [de heer A] . Zij is om die reden aansprakelijk voor de door het Zorgkantoor geleden schade (het totaalbedrag dat in 2017 en 2018 als pgb is uitbetaald), primair op grond van onrechtmatige daad en subsidiair op grond van ongerechtvaardigde verrijking.

3.3.

Fusion Zorg concludeert tot afwijzing van de vorderingen. Zij weerspreekt dat sprake is van fraude of van ondoelmatige besteding van het pgb. Zij betwist verder bestaan en omvang van schade.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4De beoordeling

Onrechtmatige daad

4.1.

In deze procedure ligt allereerst de vraag voor of Fusion Zorg onrechtmatig jegens het Zorgkantoor heeft gehandeld. Bij de beantwoording van die vraag stelt de rechtbank het volgende voorop. Het Zorgkantoor is belast met de uitvoering van de pgb-regeling. Zij dient er onder andere op toe te zien dat met een door haar verstrekt pgb op doelmatige wijze wordt voorzien in toereikende en kwalitatief goede zorg (vgl. artikel 3.3 lid 4 onder a Wlz). Dit brengt mee dat zij belang heeft bij een behoorlijke uitvoering van de zorgovereenkomst die degene aan wie een pgb wordt verstrekt (de budgethouder) en de zorgverlener die uit het pgb wordt betaald sluiten. Die zorgovereenkomst, althans de daarin opgenomen zorgbeschrijving, moet ook door het Zorgkantoor worden goedgekeurd. Wanneer blijkt dat een zorgverlener (structureel) ondoelmatige zorg aan de budgethouder verleent, dat wil zeggen dat de hoeveelheid, de kwaliteit en de kosten van de geleverde zorg niet in balans zijn en onvoldoende aansluiten op de vastgestelde zorgbehoefte van de budgethouder, kan dit onder omstandigheden gelet op het voorgaande leiden tot rechtstreekse aansprakelijkheid (uit onrechtmatige daad) van de zorgverlener jegens het Zorgkantoor.

4.2.

Het Zorgkantoor verwijt Fusion Zorg dat zij (in strijd met de Wlz en aanverwante regelgeving) de regie over het pgb van [de heer A] heeft overgenomen en heeft bewerkstelligd dat het pgb op ondoelmatige en onrechtmatige wijze is besteed. Zij stelt daartoe dat Fusion Zorg heeft gedeclareerd op basis van een zorgovereenkomst waarmee het Zorgkantoor en de gewaarborgde hulp niet bekend waren, terwijl de zorg die zij voor het gedeclareerde bedrag heeft verleend in uren en in kwaliteit niet voldeed aan dat wat op grond van de overeenkomst en de behoefte van [de heer A] van Fusion Zorg verwacht mocht worden. Het Zorgkantoor bestempelt dit handelen als fraude.

Fusion Zorg betwist dat sprake is van fraude. Zij voert aan dat de in rekening gebrachte uren daadwerkelijk zijn gemaakt en dat de door haar geleverde zorg doelgericht was en voldeed aan de kwalitatieve eisen die daaraan redelijkerwijs gesteld mogen worden.

4.3.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Zorgkantoor onvoldoende aanknopingspunten aangereikt voor de vaststelling dat Fusion Zorg minder dan de overeengekomen uren aan zorg heeft geleverd, waardoor ook sprake zou zijn van een hoger dan wettelijk toegestaan uurtarief, en/of dat de geleverde zorg niet voldeed aan de daaraan te stellen eisen. Daarbij gaat de rechtbank ervan uit dat zowel de zorgovereenkomst van 16 juli 2017 – die het Zorgkantoor kende – als de overeenkomst van 31 oktober 2017 – waarmee zij onbekend was – ziet op het verlenen van 21 uur zorg per week. In de tweede overeenkomst stond 168 uur maar tijdens de zitting is duidelijk geworden dat partijen het erover eens zijn dat dit berust op een vergissing.

4.4.

Ten aanzien van het verwijt over het aantal uren geleverde zorg geldt het volgende. Volgens het Zorgkantoor is er hooguit 16 uur per week zorg geleverd door Fusion Zorg en is daarmee – gelet op het feit dat er € 4.929 per maand in rekening werd gebracht – een hoger dan wettelijk toegestaan tarief gehanteerd. Zij baseert zich daarbij met name op een verklaring van de gewaarborgde hulp en op een inschatting van de tijd die gemoeid zal zijn geweest met de zorg die volgens [de heer A] zelf werd verleend en terug te vinden was in de zorgmap. Fusion Zorg heeft een en ander gemotiveerd weersproken. Volgens Fusion Zorg heeft de e-mail waarop de gewaarborgde hulp zich beroept betrekking op het aantal uur zorg dat Fusion Zorg in haar ogen kon verlenen voor het maandbedrag dat in de zorgovereenkomst van 16 juli 2017 is vermeld. Zij heeft gemotiveerd betoogd dat zij op basis van het door de SVB aan haar betaalde hogere maandbedrag wel degelijk (minimaal) 21 uur per week zorg heeft verleend en dat dit aantal uur aan zorg met de eigen bijdrage van [de heer A] , waarmee de gewaarborgde hulp heeft ingestemd, kon worden gecontinueerd. In het licht van deze gemotiveerde betwisting heeft het Zorgkantoor haar stellingen in dit verband niet voldoende (nader) onderbouwd. Zij noemt een verklaring van de huisvriend van [de heer A] , de heer [B] , maar daaraan kan niet veel waarde worden gehecht gelet op dat wat Fusion Zorg over de rol en positie van heer [B] heeft aangevoerd. De informatie uit de zorgmap van [de heer A] waaruit volgens het Zorgkantoor bleek dat het om minder uren zou moeten gaan is niet in het geding gebracht zodat daarvan niet kan worden uitgegaan. Dat Fusion Zorg zelf wisselend heeft verklaard over de hoeveelheid geleverde zorg, acht de rechtbank tot slot niet voldoende om aan te nemen dat door haar te weinig uur aan zorg is verleend. In de verklaringen van Fusion Zorg waarop het Zorgkantoor zich beroept kan eerder een bevestiging worden gevonden voor het standpunt van Fusion Zorg dat (meer dan) het overeengekomen aantal uur aan zorg is verleend.

4.5.

Ten aanzien van de kwaliteit van de zorg wordt het volgende overwogen. Het Zorgkantoor baseert haar stelling dat de door Fusion Zorg geleverde zorg kwalitatief onder de maat is geweest op informatie uit de zorgmap van [de heer A] , maar zij heeft (de informatie uit) de zorgmap niet in het geding gebracht. Fusion Zorg heeft de conclusies die het Zorgkantoor op basis van die informatie trekt betwist en daarbij heeft zij er ter zitting op gewezen dat – hoewel niet zoals het hoort – de zorgmap niet steeds nauwkeurig is bijgehouden. Aan de zorgmap kan het Zorgkantoor dan ook in deze procedure geen steun voor haar stellingen ontlenen. Fusion Zorg heeft met verwijzing naar de e-mailberichten van de verpleegkundige die is verbonden aan de praktijk van de huisarts van [de heer A] uit november 2017 en februari 2018 bovendien weerlegd dat zij onzorgvuldig heeft gehandeld bij de toediening van insuline bij [de heer A] . Uit die e-mailberichten volgt dat de bloedsuikerspiegel van [de heer A] in ieder geval op die beoordelingsmomenten in orde was, terwijl gesteld noch gebleken is dat dit niet maatgevend is voor gehele duur van de zorgverlening. Dat Fusion Zorg (structureel) ondermaatse zorg heeft geleverd kan ook niet worden afgeleid uit de door het Zorgkantoor overgelegde rapportage van de medewerkers van [de medewerker], omdat die rapportage slechts ziet op een zeer korte periode (enkele dagen). Daarbij komt dat de zorgovereenkomst tussen [de heer A] en Fusion Zorg voorafgaand aan de periode waarop die rapportage betrekking heeft door de gewaarborgde hulp was opgezegd en ook om die reden op basis daarvan geen (vergaande) conclusies kunnen worden getrokken ten aanzien van het functioneren van Fusion Zorg in de periode daarvoor. De rechtbank neemt verder nog in aanmerking dat [de heer A] maar ook zijn gewaarborgde hulp niet hebben geklaagd over de kwaliteit van de door Fusion Zorg geleverde zorg. Integendeel, zij hebben herhaaldelijk kenbaar gemaakt tevreden te zijn met de zorg die is geleverd.

4.6.

Het verwijt dat het Zorgkantoor Fusion Zorg maakt over de tweede overeenkomst en het daarin opgenomen (veel) hogere maandbedrag waarvan het Zorgkantoor niet op de hoogte was treft wel doel. Immers, door toedoen van Fusion Zorg werd op grond van de tweede overeenkomst een veel hoger maandbedrag aan Fusion Zorg uitbetaald dan waarop het pgb aanspraak gaf. Hierdoor werd het pgb van [de heer A] op een voor Fusion Zorg kenbare en voorzienbare wijze ondoelmatig besteed. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.7.

Het Zorgkantoor heeft aan [de heer A] in de jaren 2017 en 2018 een pgb toegekend op basis van het zorgprofiel zoals dat door het CIZ in het indicatiebesluit van 7 juli 2016 is vastgesteld, te weten ‘Beschut wonen met intensieve begeleiding en uitgebreide verzorging’. Dit komt overeen met zorgzwaartepakket 4 (4VV), zo volgt uit bijlage H bij de Regeling langdurige zorg (Rlz) en dit is tussen partijen ook niet (langer) in geschil. De door het Zorgkantoor goedgekeurde zorgovereenkomst van 16 juli 2017 neemt het bij het vastgestelde zorgprofiel passende budget ook als uitgangspunt. Weliswaar is in de overeenkomst aangetekend dat Fusion Zorg niet akkoord gaat met dit budget omdat het indicatiebesluit volgens haar uitgaat van zorgzwaartepakket 7, maar tegen de toekenningsbeschikkingen zijn geen, althans niet met succes, rechtsmiddelen aangewend. Ook is niet (succesvol) om een aanvulling of wijziging van het pgb of de indicatie gevraagd. Het aan [de heer A] toegekende pgb stond dus vast. Fusion Zorg was hiervan op de hoogte en zij heeft niettemin haar bij de SVB ingediende declaraties voor de door haar geleverde zorg gebaseerd op een budget dat past bij zorgzwaartepakket 7. Zij heeft daarbij gebruik gemaakt van een voor dat doel (de aard en de duur van de zorg zijn niet veranderd) aangepaste zorgovereenkomst die zij niet aan de gewaarborgde hulp, maar aan [de heer A] zelf ter ondertekening heeft voorgelegd en waarmee het Zorgkantoor niet bekend was. Daarmee werden – buiten het zicht van het Zorgkantoor – maandelijks veel hogere bedragen voor zorg in rekening gebracht en door de SVB aan Fusion Zorg betaald dan waarop het pgb aanspraak gaf. Het pgb van de heer [de heer A] was in de betreffende jaren al enige maanden voor het einde van het jaar volledig uitgekeerd, zodat hij uit eigen middelen moest bijbetalen voor de aan hem geleverde zorg. Het standpunt van Fusion Zorg dat [de heer A] en zijn gewaarborgde hulp hiervan op de hoogte waren en ermee instemden is niet voldoende onderbouwd en gaat ook niet op omdat het niet afdoet aan het verwijt dat het pgb niet werd besteed zoals het was bedoeld, namelijk om de zorgkosten van [de heer A] te dekken, waardoor het budget met terugwerkende kracht is ingetrokken.

4.8.

Daarbij is van belang dat niet is gebleken dat de door Fusion Zorg geleverde zorg het veel hogere maandelijks door haar gedeclareerde bedrag rechtvaardigde. Ook niet indien ervan wordt uitgegaan dat, zoals Fusion Zorg heeft betoogd, [de heer A] gemiddeld 25 in plaats van 21 uur per week aan zorg ontving. In dat geval bedraagt het gemiddelde uurtarief nog altijd € 45. Fusion Zorg heeft onvoldoende weersproken dat dit een ondoelmatig tarief is, rekening houdend met de aard van de zorg die aan [de heer A] werd verleend. Weliswaar ontving [de heer A] ook verpleegzorg, waarvoor een hoger uurtarief geldt (Fusion Zorg hanteert een tarief van € 56), maar het aandeel van die zorg in het totaal aantal uren aan zorg was relatief gering ten opzichte van de andere soorten zorg die aan hem werden verleend en waarvoor (ook door Fusion Zorg) een lager uurtarief in rekening wordt gebracht.

4.9.

Het Zorgkantoor mocht er op grond van de aan haar bekende zorgovereenkomst gerechtvaardigd op vertrouwen dat [de heer A] in 2017 en 2018 met het toegekende pgb het hele jaar voldoende en toereikende zorg zou ontvangen. Door toedoen van Fusion Zorg was dat niet het geval. Pas medio 2018 is het Zorgkantoor ervan op de hoogte geraakt dat Fusion Zorg niet conform die overeenkomst declareerde. Hierdoor heeft zij niet tijdig passende maatregelen kunnen nemen om een ondoelmatige besteding van het pgb te voorkomen en daarmee is het Zorgkantoor in haar belangen geschaad. Dat was voor Fusion Zorg te voorzien en dat had zij kunnen en moeten voorkomen. Of Fusion Zorg, zoals zij betoogt, bij haar handelen goede intenties had, is daarbij niet van belang.

4.10.

Op grond hiervan oordeelt de rechtbank dat de door het Zorgkantoor gevorderde verklaring voor recht toewijsbaar is op de wijze zoals in het dictum is weergegeven.

Schade

4.11.

Het Zorgkantoor vordert schadevergoeding opgebouwd uit € 69.006 als vergoeding voor het over 2017 en 2018 toegekende en uitbetaalde pgb en een bedrag van € 650 voor onderzoekskosten. Zij voert aan dat door toedoen van Fusion Zorg de budgetten niet rechtmatig zijn besteed en de pgb beslissingen – kort gezegd – zijn teruggedraaid, terwijl terugvordering van [de heer A] niet aan de orde is. Dat maakt dat zij tot dat bedrag schade heeft geleden. Daarin volgt de rechtbank het Zorgkantoor niet. Volgens het Zorgkantoor is zowel in 2017 als in 2018 een bedrag van € 34.503 (totaal € 69.006) aan Fusion Zorg betaald. Deze bedragen sluiten aan bij het pgb waarop [de heer A] gelet op het in het indicatiebesluit van 7 juli 2016 vastgestelde zorgprofiel aanspraak kon maken en dat ook aanvankelijk door het Zorgkantoor aan hem is toegekend. Er is aldus betaald voor zorg waar [de heer A] wettelijk gezien recht op had. Die zorg is, zo staat in deze procedure vast, ook door Fusion Zorg aan [de heer A] geleverd. Dat aan hem (gelet op zijn indicatie) te weinig uur zorg is geboden en/of de aan hem gegeven zorg van onvoldoende kwaliteit is geweest, is in deze zaak niet komen vast te staan. Tegen deze achtergrond kan het Zorgkantoor naar het oordeel van de rechtbank het bestaan en de omvang van de door haar geleden schade als gevolg van de – door toedoen van Fusion Zorg – ondoelmatige besteding van het pgb niet enkel baseren op het feit dat met terugwerkende kracht het aan de heer [de heer A] toegekende pgb over het jaar 2017 op nul euro is vastgesteld en het pgb over 2018 is ingetrokken en er aldus juridisch gezien in die jaren geen uitkering van een pgb heeft plaatsgevonden. Als Fusion Zorg naar behoren had gehandeld zou het Zorgkantoor immers naar het zich laat aanzien niet in een andere financiële positie geweest zijn. Het feit dat het Zorgkantoor het op basis van deze besluiten ten onrechte uitbetaalde bedrag (begrijpelijkerwijs) niet van de heer [de heer A] terugvordert, rechtvaardigt ook niet de conclusie dat de schade die Fusion Zorg met haar handelen heeft veroorzaakt (onverkort) moet worden vastgesteld op dat bedrag. Het Zorgkantoor heeft de door haar gestelde schade naar het oordeel van de rechtbank dan ook onvoldoende onderbouwd.

4.12.

Het Zorgkantoor heeft in dit verband een beroep gedaan op artikel 6:104 BW, maar de rechtbank volgt haar daarin niet omdat niet is gebleken dat Fusion Zorg winst heeft genoten door het vastgestelde onrechtmatige handelen.

4.13.

De vordering van het Zorgkantoor tot (terug)betaling van het bedrag van € 69.006 is ook niet toewijsbaar op grond van ongerechtvaardigde verrijking. Fusion Zorg heeft de in de door het Zorgkantoor goedgekeurde zorgovereenkomst overeengekomen zorg geleverd en het feit dat het voor de betaling van die zorg bedoelde pgb met terugwerkende kracht is ingetrokken, dan wel op € 0 is vastgesteld, is onvoldoende om te concluderen dat er geen redelijke grond aanwezig was voor de betalingen aan Fusion Zorg.

4.14.

Fusion Zorg is op basis van het vastgestelde onrechtmatige handelen wel gehouden de door het Zorgkantoor gemaakte onderzoekskosten te vergoeden. Deze kosten kunnen worden aangemerkt als kosten voor de vaststelling van schade en aansprakelijkheid als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 sub b BW en komen voor vergoeding in aanmerking voor zover is voldaan aan de zogenoemde ‘dubbele redelijkheidstoets’. Gelet op de geconstateerde onregelmatigheden was het redelijk dat het Zorgkantoor onderzoek heeft gedaan naar de declaraties van Fusion Zorg, terwijl ook de omvang van de kosten redelijk wordt geacht. De vordering van het Zorgkantoor tot vergoeding van deze kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover zoals gevorderd, wordt daarom toegewezen.

proceskosten

4.15.

Nu beide partijen over en weer in het (on)gelijk zijn gesteld, ziet de rechtbank aanleiding om de proceskosten te compenseren in die zin, dat elk van partijen de eigen kosten draagt.

5De beslissing

De rechtbank

5.1.

verklaart voor recht dat het pgb van [de heer A] door toedoen van Fusion Zorg ondoelmatig is besteed en dat Fusion Zorg hiermee onrechtmatig jegens het Zorgkantoor heeft gehandeld,

5.2.

veroordeelt Fusion Zorg tot betaling aan het Zorgkantoor van een bedrag van € 650, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na de datum van dit vonnis tot de dag der algehele voldoening,

5.3.

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

5.4.

verklaart onderdeel 5.2 van het dictum uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Willems en in het openbaar uitgesproken op 15 september 2021.

type: 2341

Leave a Reply

Your email address will not be published.

Previous Story

Politie en Justitie

Next Story

Vanaf 25 september 2021 geen coronabeperkingen meer aan toegang tot gerechtsgebouwen

Latest from Bestuursrecht | News & Insights

Bus-/Trambaanontheffing

In de grote steden is het van essentïeel belang dat u over een bus-/trambaanontheffing beschikt. MR. BAS

Chauffeurskaart (KIWA)

MR. BAS A.S. VAN LEEUWEN staat u adviserend en procederend terzijde wanneer de Minister van Infrastructuur en