Governance-tekortkomingen, toezichtverwachtingen en herstelverplichtingen van bestuur en toezichthouders

Governance failures met betrekking tot financial crime, integriteitsrisico’s en de daarmee samenhangende controleframeworks hebben in toenemende mate een dubbel karakter gekregen. Enerzijds zijn dergelijke tekortkomingen vaak het gevolg van een cumulatie van ogenschijnlijk lokale incidenten, achterstanden en uitzonderingen die zich in de tijd ontwikkelen tot een structureel patroon van onvoldoende beheersing. Anderzijds worden deze tekortkomingen door toezichthouders en handhavende autoriteiten steeds nadrukkelijker benaderd als aanwijzing voor tekortschietend bestuur: niet slechts een falen van procedures of systemen, maar een falen van effectieve aansturing, een heldere verantwoordelijkheidsverdeling en aantoonbare “active oversight”. In dat licht is governance niet langer een abstract organisatorisch thema, maar een toetssteen voor de mate waarin de instelling in staat is om risico’s integraal te identificeren, te mitigeren en duurzaam te beheersen, met een bewijsbare “line of sight” van beleid en besluitvorming tot uitvoering en operating effectiveness.

De verschuiving in toezichtpraktijk naar “effectiveness over form” heeft de lat verhoogd voor zowel de inrichting als de werking van compliance- en riskkaders. De focus ligt niet op het bestaan van beleidsdocumenten of comitéstructuren, maar op de vraag of die structuren daadwerkelijk leiden tot tijdige escalatie, scherpe challenge op managementinformatie, robuuste besluitvorming bij incidenten en aantoonbare levering van remediatie. Daarmee ontstaat tevens een verhoogde bewijsdruk: verwachtingen rond board minutes, decision logs, delegated authorities, control ownership in de first line, onafhankelijke challenge door de second line en credible assurance door third line en onafhankelijke reviews worden in de praktijk gehanteerd als indicaties voor de volwassenheid van het governance-ecosysteem. Bestuurlijke zorgplichten krijgen daarmee een expliciet operationele dimensie: toezicht moet niet alleen bestaan, maar ook zichtbaar functioneren, meetbaar sturen en verdedigbaar leren van fouten.

Board accountability, mandaathelderheid en effectieve oversight

Een solide governancefundament begint met een expliciete en ondubbelzinnige vaststelling van mandaten op board- en comité-niveau voor financial crime- en integriteitsrisico’s. Het enkel benoemen van onderwerpen in een charter is in de praktijk onvoldoende wanneer niet eveneens is uitgewerkt welke concrete verantwoordelijkheden, bevoegdheden en oversight-activiteiten daaruit voortvloeien. Een zorgvuldig geconstrueerd mandaat definieert het toepassingsbereik (waaronder AML, sancties, ABAC en fraude), de beoogde uitkomsten (waaronder operating effectiveness en sustainment), de informatiebehoefte (waaronder definities, frequentie en materialiteitsdrempels) en de wijze waarop besluitvorming plaatsvindt bij escalaties. Daarbij verdient bijzondere aandacht dat mandaten consistent zijn met de bredere risk governance, waaronder risk appetite statements, ERM-cycli en material risk taxonomieën, zodat integriteitsrisico’s niet als afzonderlijke compliance-aangelegenheid worden behandeld, maar als kernrisico’s die strategische en operationele besluitvorming mede bepalen.

Mandaathelderheid veronderstelt vervolgens een precieze verdeling van verantwoordelijkheden tussen de full board en relevante comités, zodanig dat lacunes, doublures en onduidelijkheden worden voorkomen. Een effectieve inrichting vergt dat de full board zichtbaar eigenaarschap behoudt over risicoacceptatie, toonzetting (“tone from the top”) en materialiteitsoordelen bij incidenten, terwijl specialistische comités duidelijke toezichtslijnen onderhouden op respectievelijk financiële verslaglegging en assurance, risk- en control-architectuur, en integriteits- en gedragsdimensies. Cruciaal is dat de interfaces tussen audit-, risk- en ethics-achtige comités niet afhankelijk zijn van informele afstemming, maar zijn verankerd in governanceafspraken die onderlinge escalatie, informatie-uitwisseling en besluitvorming bij conflicterende perspectieven regelen. Zonder een dergelijk ontwerp ontstaat het risico dat integriteitsincidenten “tussen wal en schip” vallen: te operationeel geacht voor de full board, te breed voor een comité, of te gevoelig voor effectieve besluitvorming.

De toetssteen voor board accountability ligt uiteindelijk in de kwaliteit van “effective challenge” en de bewijsbaarheid daarvan. Effectieve oversight wordt kenbaar wanneer vragen niet beperkt blijven tot statusupdates, maar aantoonbaar doorvragen op causaliteit, control ownership, uitzonderingen, backlogs en afwijkingen van risk appetite. Een volwassen governancepraktijk vereist dat opvolging van vragen traceerbaar is, dat afspraken en deadlines expliciet worden vastgelegd, en dat divergenties in opvatting, waaronder gedocumenteerde dissent, niet worden gemaskeerd maar juist worden vastgelegd als onderdeel van zorgvuldige besluitvorming. Informatievoorziening moet daarbij worden bestuurd als een governance-object: definities en datadomeinen moeten uniform zijn, volledigheid en tijdigheid moeten meetbaar worden gemonitord, en deep-dives op high-risk areas dienen periodiek te worden ingepland op basis van risico-indicatoren en incidenttrends. Board minutes en decision logs fungeren in dit kader niet als administratieve formaliteit, maar als primair bewijs van actieve sturing, consequence management en seniority-neutral handhaving, inclusief de mate waarin control functions onafhankelijk toegang hebben tot het bestuur en over toereikende middelen beschikken.

Supervisory expectations: effectiviteit boven vorm in compliance frameworks

Toezichthouders hanteren in toenemende mate het uitgangspunt dat compliance-architectuur slechts waarde heeft voor zover deze aantoonbaar effectief opereert. Dit betekent dat de beoordeling zich concentreert op operating effectiveness, in plaats van op de loutere aanwezigheid van beleid, procedures en trainingsmodules. In de praktijk vertaalt dit zich naar een nadruk op end-to-end control frameworks die de volledige keten bestrijken: van risico-identificatie en preventieve maatregelen tot detectie, case management, escalatie, besluitvorming en remediatie. De kernvraag is of de inrichting leidt tot voorspelbaar risicoreducerend gedrag, consistente besluitvorming en tijdige interventies, mede in situaties waarin commerciële belangen of operationele druk aanleiding geven tot uitzonderingen of overrides. Een framework dat uitsluitend op papier sluitend is, maar in de uitvoering wordt uitgehold door backlogs, beperkte data-integriteit of gebrekkige escalatiecultuur, wordt in toezichtcontext steeds vaker aangemerkt als systeemfalen.

Een essentieel element in deze effectiviteitsbenadering is aantoonbaar control ownership in de first line, met een second line die daadwerkelijk kan challengen. Toezichthouders verwachten dat de eerste lijn niet slechts “compliance uitvoert”, maar controles ontwerpt, bezit, monitort en verbetert binnen het businessproces, inclusief duidelijke verantwoordingslijnen tot op senior management-niveau. De second line dient onafhankelijk te kunnen beoordelen of risico’s correct worden ingeschat, of controls passend zijn ingericht en of uitzonderingen adequaat worden beheerst, met reële bevoegdheden om aanpassingen af te dwingen. Dit impliceert dat risk assessments voldoende granulariteit en frequentie moeten hebben om aan te sluiten bij veranderende product-, klant- en geografische profielen, en dat scoring evidence-based is, onderbouwd met data, incidenten, control testing en externe signalen. Een statische, generieke risk assessment die niet wordt vertaald naar concrete controlkalibratie en resource-allocatie, wordt veelal als ontoereikend beschouwd.

De toegenomen aandacht voor data- en model governance vormt een derde pijler van supervisory expectations. Monitoring- en screeningtools, inclusief modellen, scenario’s en tuningparameters, moeten worden bestuurd met duidelijk eigenaarschap, change controls, validatie en auditability. Indicatoren zoals alert backlogs, case closure quality, SLA-prestaties, substantiation rates en herhaalde uitzonderingen worden door toezichthouders gehanteerd als empirische signalen van tekortschietende beheersing. Eveneens staat exception handling en override governance nadrukkelijk in de belangstelling: de aanwezigheid van waivers, bypasses en handmatige ingrepen is niet per definitie onaanvaardbaar, maar vereist strikte governance, verplichte rationale capture en periodieke thematische reviews om “waiver culture” te detecteren. Tot slot geldt timely remediation als norm: time-bound milestones, helder ownership en onafhankelijke testing, waaronder lookbacks en credible assurance, moeten aantonen dat geconstateerde tekortkomingen niet slechts worden “afgehandeld”, maar duurzaam worden opgelost en ingebed.

Root cause analyses en lessons learned als board duty

Een gestructureerde root cause-benadering is in toezicht- en handhavingstrajecten uitgegroeid tot een kernverplichting binnen bestuurlijke zorgplichten. Niet zelden blijken incidenten te worden behandeld als geïsoleerde afwijkingen, terwijl de onderliggende oorzaken juist liggen in terugkerende patronen in processen, mensen, systemen, governance en cultuur. Een robuust root cause framework vereist daarom methodologische discipline die waarborgt dat feitenvaststelling zorgvuldig wordt gescheiden van remediatiehypotheses, zodat defensibility en betrouwbaarheid van bevindingen behouden blijven. In de praktijk vereist dit expliciete scopebepaling, borging van bronnen en data-integriteit, en bevindingen die zijn geformuleerd op basis van aantoonbaar bewijs, met voldoende detail om causaliteit te kunnen onderbouwen. Een te smalle scope of een te vroeg getrokken conclusie leidt veelal tot remediatie die beperkt blijft tot symptoombestrijding en onder toezicht geen stand houdt.

Board oversight op root cause-werkzaamheden vergt meer dan het accorderen van een eindrapport; vereist is zichtbare sturing op methodologie, volledigheid en de mate waarin systemic issues worden geïdentificeerd. Systemic issues omvatten doorgaans incentive-structuren die ongewenst gedrag bevorderen, resourcingtekorten die leiden tot achterstanden en kwaliteitsverlies, toolingbeperkingen die detectie en escalatie verzwakken, en governance gaps die verantwoordelijkheden diffuus maken. “Known issues” en legacy findings vormen in dit verband een bijzonder risico: wanneer eerder geïdentificeerde tekortkomingen niet tijdig of onvoldoende zijn geadresseerd, wordt dit in toezichtcontext veelal als aggravating factor aangemerkt. Dit versterkt de noodzaak om causal chains expliciet te documenteren: de route van control failure naar misconduct outcome dient begrijpelijk, traceerbaar en verifieerbaar te zijn, zodat zowel interne besluitvorming als externe verantwoording standhoudt.

De waarde van root cause-analyses manifesteert zich pas wanneer “lessons learned” aantoonbaar worden vertaald naar duurzame verbeteringen en governance-aanpassingen. Dit vereist prioritering van remediatieacties op basis van risicoreductie en haalbaarheid, met expliciete besluiten over sequencing, afhankelijkheden en resource-implicaties. Root cause findings dienen bovendien te worden geïntegreerd in het bredere risicoraamwerk: aanpassingen in ERM, herijking van risk appetite, control libraries en monitoringstrategieën moeten zichtbaar te herleiden zijn tot de geïdentificeerde oorzaken. Een derde vereiste betreft assurance over “embedding”: implementatie moet niet alleen technisch zijn afgerond, maar ook operationeel zijn geadopteerd, met meetbare gedrags- en kwaliteitsindicatoren. Periodieke re-assessment is noodzakelijk om recidive en regressie te detecteren, waarbij herhaalde patronen worden beschouwd als signaal dat eerdere root cause-diagnoses onvolledig waren of dat governance onvoldoende borging heeft gerealiseerd.

Remediation governance: roadmap, ownership en delivery assurance

Remediatie wordt in toezichtpraktijk beoordeeld als een bestuursdiscipline, niet als een projectmatige bijzaak. Een board-approved remediation roadmap dient derhalve te functioneren als juridisch en operationeel ankerpunt, met duidelijke milestones, eigenaren en deadlines die aansluiten bij risicoprioriteiten en toezichtsverwachtingen. Een dergelijke roadmap beschrijft niet alleen wat wordt gewijzigd, maar ook waarom en hoe die wijziging risicoreductie realiseert, inclusief de samenhang tussen quick wins en structurele hervormingen. Daarbij dient inzichtelijk te worden gemaakt hoe remediatie zich verhoudt tot de bestaande control-architectuur, welke afhankelijkheden bestaan (bijvoorbeeld data, tooling, training en organisatie-inrichting) en welke risico’s ontstaan wanneer deliverables vertragen. Een roadmap zonder expliciete beslispunten en escalatieregels vergroot het risico dat voortgang administratief gunstig wordt gepresenteerd zonder dat operating effectiveness in werkelijkheid verbetert.

Een effectieve uitvoering vergt doorgaans de inrichting van een remediation PMO met gedisciplineerde tracking, evidence capture en escalation discipline. De kernfunctie van een PMO in dit kader is niet louter planning, maar governance: het vastleggen van “definition of done”, het bewaken van consistentie in bewijsvoering en het signaleren van bottlenecks in resourcing, besluitvorming en change control. “Definition of done” dient te worden geformuleerd in testbare uitkomsten: niet “policy updated”, maar aantoonbare verbetering in alert quality, een daling van ongeautoriseerde overrides, verbeterde SLA-prestaties of hogere case-closure kwaliteit, ondersteund door onafhankelijke testing. Een volwassen PMO-structuur borgt bovendien dat evidence packs tijdig en coherent worden opgebouwd, zodat externe toetsing door toezichthouders, onafhankelijke reviewers of in het kader van mogelijke monitorship kan plaatsvinden zonder ad-hoc reconstructies of inconsistenties.

Board scrutiny op resourcing, budget en change management vormt in dit domein een wezenlijke randvoorwaarde. Remediatie faalt in de praktijk zelden door gebrek aan intentie; falen ontstaat doorgaans door onderschatting van capaciteit, onvoldoende senior sponsorship, versnipperde ownership of te ambitieuze sequencing. Strikte governance vergt gecontroleerde roll-outs, met aandacht voor training, adoptie en post-implementatie monitoring, om te voorkomen dat verbeteringen slechts “go-live” bereiken maar niet worden geoperationaliseerd. Integratie van remediatie in performance objectives van senior management versterkt accountability, mits de metrics zijn gericht op kwaliteit en risicoreductie in plaats van op oppervlakkige deliverables. Periodieke board reporting dient daarom KRIs en progress metrics te combineren met evidence van risicoreductie, terwijl independent validation door second line testing en third line audit de credibiliteit van voortgang en de duurzaamheid van closure ondersteunt.

Control function independence, capability en resourcing failures

De onafhankelijkheid en effectiviteit van control functions vormen een terugkerend zwaartepunt in toezichtbeoordelingen, mede omdat falen in deze functies vaak leidt tot vertraagde detectie, inadequate escalatie en onvoldoende remediatie. Een fundamentele vereiste is dat reporting lines zodanig zijn ingericht dat compliance en risk directe toegang hebben tot relevante board comités, zonder filter door commerciële managementlagen. Toezichthouders toetsen daarbij niet alleen formele rapportagelijnen, maar ook de feitelijke ruimte om onwelgevallige boodschappen te brengen, prioriteiten te beïnvloeden en “stop-the-line” authority te effectueren wanneer risico’s acuut worden geacht. Het beschermen van onafhankelijkheid impliceert dat undue influence, zoals druk om cases te herkwalificeren, alerts te downgraden of uitzonderingen te normaliseren, wordt tegengegaan door governance, transparantie en discipline in besluitvorming en escalatie.

Capability en skill mix zijn in het bijzonder kritisch in domeinen als AML, sancties en ABAC investigations, waar feitelijke complexiteit en juridisch risico samenkomen. Een controlfunctie die onvoldoende senioriteit, expertise of contextkennis heeft, kan in de uitvoering leiden tot gebrekkige case-analyse, inconsistente uitkomsten en onjuiste risicoclassificatie, met directe impact op de betrouwbaarheid van managementinformatie en de geloofwaardigheid richting toezichthouders. Staffing en workload vormen daarbij tastbare red flags: structurele backlogs, hoge turnover, langdurige vacatures en capacity constraints worden in de praktijk beschouwd als indicatoren dat de instelling de eigen risk exposure niet kan absorberen. Tooling adequacy is hiermee verweven: case management, analytics, screening engines en auditability moeten het werk faciliteren, niet frustreren; ontbreken van adequate tooling vergroot de kans op handmatige workarounds, spreadsheet risk en onvoldoende traceerbaarheid van beslissingen.

Een goed functionerend target operating model vereist heldere handoffs en verantwoordelijkheden tussen first line, second line en third line, waarbij elke lijn zijn rol vervult zonder rolverwarring. De first line dient eigenaar te zijn van risico’s en controls in het proces, de second line dient onafhankelijk te challengen en te normeren, en de third line dient periodiek assurance te verschaffen over ontwerp en werking. Outsourcing governance vormt een aanvullende dimensie: wanneer delen van monitoring, screening of due diligence zijn uitbesteed, blijft accountability binnen de instelling onverkort bestaan, inclusief audit rights, vendor model risk management, data governance en kwaliteitsmonitoring. Periodieke competency assessments en reviews van training effectiveness ondersteunen aantoonbaar dat de controlfunctie “fit for purpose” blijft. Consequence management bij control failures, inclusief accountability van leidinggevenden, wordt in toezichtcontext gezien als essentieel om adverse patterns te doorbreken en te bevestigen dat integriteitsthema’s niet ondergeschikt zijn aan commerciële of operationele targets.

Information integrity: MI, dashboards en tekortkomingen in board reporting

Een robuuste governance-inrichting staat of valt met de betrouwbaarheid van management information (MI) en de wijze waarop die informatie wordt gecondenseerd tot dashboards en board packs. In toezichtcontext wordt MI niet benaderd als een communicatieproduct, maar als een control artefact: definities, datastromen, transformaties en onderliggende aannames bepalen rechtstreeks de kwaliteit van besluitvorming, escalatie en remediatie. Inconsistenties in definities tussen entiteiten, business lines of functies veroorzaken niet slechts interpretatieverschillen, maar leiden tot een aantoonbaar risico dat de instelling de eigen exposure onjuist inschat en daardoor verkeerd prioriteert. De kernvereiste is daarom het vaststellen van expliciete, herleidbare definities van kernmetrics (KPI’s en KRI’s), inclusief drempels, materialiteitscriteria, meetfrequentie en normalisaties, zodat daadwerkelijk vergelijkbaar wordt gerapporteerd en trends niet worden vertekend door methodologische divergentie.

De tweede pijler betreft datakwaliteit en data lineage, met aantoonbaarheid als leidend beginsel. Toetsing op completeness, accuracy en timeliness vergt dat databronnen expliciet zijn geïdentificeerd, dat reconciliaties en plausibiliteitscontroles bestaan, en dat wijzigingen in data of definities zichtbaar worden gemaakt via change control. Transparantie over assumptions, limitations en confidence levels is hierbij essentieel: een metric die slechts een deelpopulatie dekt, een dataset met bekende lacunes of een indicator die gevoelig is voor handmatige correcties kan niet zonder context worden gepresenteerd als harde sturingsinformatie. In toezichtbeoordelingen wordt frequent beoordeeld of dergelijke beperkingen daadwerkelijk worden benoemd, of compensatiemaatregelen zijn ingericht, en of escalatie plaatsvindt wanneer data-integriteit onder druk komt te staan. Het ontbreken van lineage en auditability vergroot bovendien het risico dat verklaringen achteraf niet verdedigbaar blijken, hetgeen de geloofwaardigheid richting toezichthouder aanzienlijk kan ondermijnen.

Een derde dimensie betreft de inhoudelijke scherpte van MI in relatie tot integriteitsrisico’s en control performance. Metrics rond alert volumes, closure times, substantiation rates, repeat issues en SLA-performance functioneren als vroegtijdige signalen van systemische tekortkomingen, mits drill-down mogelijk is naar entity, geography, business line en third-party segment. Effectieve board reporting veronderstelt dat incident data, audit findings en whistleblowing themes worden samengebracht tot één coherent beeld, zodat patronen zichtbaar worden en “known issues” niet gefragmenteerd blijven. Governance van manual reporting en spreadsheet risk is in dit verband een terugkerend zwak punt; een beweging naar geautomatiseerde, auditable reporting is doorgaans noodzakelijk om consistentie en betrouwbaarheid te borgen. Het bewijs van actieve oversight manifesteert zich vervolgens in de vastlegging van board reactions en follow-up actions naar aanleiding van MI outputs, ondersteund door onafhankelijke assurance over MI reliability als onderdeel van de duty of care.

Exception handling, waivers en control overrides als kern van governance failure

Exception handling en control overrides vormen in veel toezichtcasussen het snijvlak waar formele control-architectuur en feitelijke praktijk zichtbaar uiteenlopen. Uitzonderingen kunnen legitiem zijn, bijvoorbeeld bij tijdkritische transacties, complexiteiten in supply chains of juridische beperkingen, maar worden problematisch wanneer uitzonderingen structureel worden, onvoldoende worden gedocumenteerd of feitelijk fungeren als alternatieve route om controles te omzeilen. Toezichthouders benaderen dit terrein steeds vaker als een indicator van “waiver culture”, met bijzondere aandacht voor betalingsgerelateerde uitzonderingen, screening overrides, approval bypasses en policy waivers. Een inventarisatie van exception types is daarbij slechts het vertrekpunt; de kernvraag is of een consistent, controleerbaar en seniority-neutral governancekader bestaat waarin uitzonderingen worden beoordeeld, geautoriseerd, vastgelegd en periodiek geëvalueerd op trends en herhaling.

Een effectieve inrichting vergt heldere approval matrices met segregation of duties en passende senior-level sign-off, afgestemd op materialiteit en risicoklasse. Rationale capture is hierbij een niet-onderhandelbare vereiste: de noodzaak van de uitzondering, de uitgevoerde risk assessment, de toegepaste compensating controls en de tijdelijkheid moeten verplicht worden vastgelegd in een auditable vorm. Het ontbreken van deze vastlegging leidt in toezichtcontext vrijwel onvermijdelijk tot de conclusie dat governance tekortschiet, omdat achteraf niet kan worden aangetoond dat risico’s bewust, proportioneel en binnen risk appetite zijn geaccepteerd. Evenzeer is logging en recertification van override privileges essentieel, aangezien toegang tot override-functionaliteiten, bijvoorbeeld in screening- of betalingssystemen, een hoog inherent integriteitsrisico vertegenwoordigt dat strikte access governance vereist.

De volwassenheid van exception governance blijkt uiteindelijk uit de mate waarin exceptions worden gebruikt als input voor risicobeoordeling en control redesign. Periodieke exception reviews dienen gericht te zijn op trendanalyse, hotspot identification en detectie van repeat exceptions die wijzen op procesfouten, toolingbeperkingen of onduidelijke policies. Ongeautoriseerde overrides vergen consistente disciplinaire maatregelen en structurele procesaanpassingen, omdat tolerantie voor dergelijk gedrag een direct signaal is voor de geloofwaardigheid van het control environment. Integratie van exception data in risk assessments, thematische audits en control testing ondersteunt dat uitzonderingen niet worden genormaliseerd, maar worden gemitigeerd en waar mogelijk gereduceerd via procesvereenvoudiging, automatisering en heldere product- of klantacceptatieregels. Evidence packs, opgebouwd uit logs, approvals, rationales en testingresultaten, zijn in toezichtdialogen vaak beslissend om aan te tonen dat uitzonderingentransacties niet indicatief zijn voor structurele non-compliance.

Third-party, supply chain en group structure governance breakdowns

Governance rondom third parties, supply chains en complexe group structures is een domein waarin integriteitsrisico’s zich snel kunnen materialiseren, mede door beperkte transparantie, gedeelde verantwoordelijkheden en variërende standaarden tussen entiteiten. Tekortkomingen in third-party due diligence, zoals inconsistent tiering, legacy gaps en ontoereikende refresh cycles, leiden in de praktijk tot het risico dat hoog-risico relaties buiten het zicht van adequate monitoring blijven of worden voortgezet op basis van verouderde informatie. Contractuele zwaktes, waaronder het ontbreken van audit rights, termination triggers en expliciete compliance undertakings, versterken dit risico, omdat de instelling daarmee zowel preventieve invloed als ex post controlemogelijkheden verliest. Toezichthouders toetsen in dit domein nadrukkelijk of end-to-end control bestaat over third-party ecosystemen, inclusief de wijze waarop due diligence, contract management, betalingsgovernance en ongoing monitoring samenhangen.

Betalingsgovernance is in third-party casuïstiek vaak een primaire bron van exposure, in het bijzonder bij offshore accounts, third-party payers en situaties waarin substantiation van goederen of diensten onvoldoende is. Zonder strikte controls op betaalroutes, factuurkwaliteit, ontvangstbevestiging en afwijkingen in betalingspatronen ontstaat het risico dat facilitation payments, omkoping of trade-based money laundering via ogenschijnlijk reguliere transacties worden gemaskeerd. Bij joint ventures en participaties met beperkte control rights kunnen governance-tekortkomingen zich manifesteren in inadequate reporting, gebrek aan audits en beperkte interventiemogelijkheden, terwijl reputatie- en enforcement-risico’s in de praktijk veelal toch terugvallen op de instelling. Supply chain opacity, met name het gebrek aan tier-n visibility, vergroot bovendien het risico op circumvention en sanctieschendingen, omdat indirecte tegenpartijen, herkomst van goederen en omleidingsroutes niet tijdig worden gesignaleerd.

Board duty in deze context krijgt doorgaans vorm via harmonisatie van minimum controls en gerichte hotspot interventions, gericht op het vermijden van “weakest link” exposure. Cross-entity inconsistency is een terugkerend probleem wanneer groepsbrede standaarden bestaan maar lokale implementatie achterblijft, waardoor hoge-risico jurisdicties of business lines een lagere control maturity vertonen. Shared services-structuren brengen additionele risico’s wanneer centralisatie plaatsvindt zonder adequate segregation of duties, accountability en lokale risk ownership. Remediatie vereist in dergelijke gevallen doorgaans re-onboarding van third parties, rationalisation van vendor populations, uplift van monitoring en escalatieroutines, en versterkte contractuele waarborgen. Aantoonbaarheid richting toezichthouder vereist dat governance discipline zichtbaar is in beslisdocumentatie, periodieke reviews, audit trails en evidence dat third-party controls niet enkel op papier bestaan, maar daadwerkelijk leiden tot interventies bij signalen van verhoogd risico.

Sanctions, AML en ABAC failures: verwachtingen rond incident response en self-reporting

Sanctions-, AML- en ABAC-incidenten worden door toezichthouders en handhavende autoriteiten beoordeeld tegen de achtergrond van tijdkritische incident response en de kwaliteit van besluitvorming rond self-reporting. Een eerste vereiste is immediate containment: stop-ship beslissingen, payment freezes, blokkades in relevante systemen en preservation van logs en monitoringdata moeten snel, proportioneel en traceerbaar plaatsvinden. In veel onderzoeken vormt de vraag of containment tijdig en volledig was een kernindicator voor de mate van beheersing, mede omdat uitstel of fragmentatie kan leiden tot voortgezette overtredingen, verlies van bewijs of inconsistenties in latere reconstructie. Incident response governance vergt daarom vooraf vastgestelde escalation pathways, decision rights en responsrollen, zodat onder druk geen ad-hoc beslissingen ontstaan die later moeilijk verdedigbaar blijken.

Besluitvorming over voluntary disclosure en regulator engagement vereist een board-approved framework waarin criteria, materialiteitsdrempels en escalatiestappen zijn vastgelegd, inclusief cross-border overwegingen. De defensibility van die besluitvorming is nauw verbonden met de onafhankelijkheid en inrichting van investigations governance, waaronder afbakening van scope, waarborgen rond privilege, integriteit van bewijs en consistente coördinatie tussen relevante jurisdicties. Lookbacks zijn in toezichtcontext een standaardinstrument bij signalen van mogelijke systemische exposure; de geloofwaardigheid van lookbacks staat of valt met scope, methodologie, datacompleetheid en onafhankelijke assurance over volledigheid. Een lookback die onvoldoende breed is, onvoldoende datasets omvat of onvoldoende QA kent, wordt veelal als ontoereikend beschouwd, met risico op aanvullende verplichtingen, verlenging van toezichtmaatregelen of verzwaring van handhaving.

Parallel aan onderzoek en engagement dient screening- en monitoring uplift te worden bestuurd via tuning, thresholds, QA en onafhankelijke validatie, waarbij wijzigingen traceerbaar zijn en effectiviteit aantoonbaar verbetert. Licensing en exceptions in sanctiecontext vereisen strikte governance, met duidelijke voorwaarden, rationale en post-transaction monitoring om te voorkomen dat uitzonderingen een sluiproute worden voor structurele tekortkomingen. Training uplift dient gericht te zijn op high-risk roles en decision makers, met bewijs van completion en effectmeting, omdat toezichthouders in toenemende mate minder genoegen nemen met generieke e-learning zonder aantoonbare gedragsimpact. Regulator engagement vereist een consistente narrative, staged productions en readiness voor undertakings, terwijl settlement preparedness, waaronder mogelijke monitorship, reportingverplichtingen en sustainability commitments, steunt op aantoonbare board oversight, gedocumenteerde beslissingen en consequence management dat niet selectief is naar senioriteit.

Board remediation duties: attestations, sustainability en closing the supervisory loop

Board-level remediatieverplichtingen culmineren vaak in attestations en de noodzaak om aan te tonen dat tekortkomingen duurzaam zijn opgelost. Attestations worden in de praktijk beoordeeld op de onderbouwing: evidence packs, onafhankelijke testing, traceerbare besluitvorming en duidelijke criteria voor “sustainability” zijn bepalend voor de geloofwaardigheid. Een attestation die uitsluitend verwijst naar afgeronde deliverables zonder bewijs van operating effectiveness wordt doorgaans als kwetsbaar beschouwd, mede omdat toezichthouders nadrukkelijk toetsen of controls daadwerkelijk embedded, voldoende resourced en operationalised zijn. Sustainability criteria dienen daarom expliciet te worden gedefinieerd, inclusief meetpunten voor performance, adoptie en regressierisico, zodat closure niet neerkomt op projectmatige afronding maar op aantoonbare verbetering van beheersing.

Een tweede vereiste betreft periodieke re-testing en recertification om regressie te voorkomen en recidive te detecteren. Monitoring van repeat findings, repeat incidents en persistent hotspots fungeert hierbij als vroegtijdig waarschuwingssysteem dat aanwijzingen geeft of structurele oorzaken daadwerkelijk zijn geadresseerd. Integratie in strategie is essentieel om te voorkomen dat groei-initiatieven, zoals market entry, product approvals of third-party expansion, plaatsvinden zonder adequate control readiness. In toezichtcontext wordt frequent beoordeeld of strategische beslissingen aantoonbaar rekening houden met integriteitsrisico’s, control capacity en de status van remediatie, mede omdat groei zonder beheersing vaak wordt gekwalificeerd als governance failure. De continuïteit van accountability na “project close” is daarbij een kernpunt: ownership dient te blijven bestaan binnen de lijnorganisatie, met duidelijke verantwoordelijkheden voor onderhoud, monitoring en doorontwikkeling van controls.

Closing the supervisory loop vergt bovendien een gecontroleerd closure-proces voor toezichtsbevindingen, met gedocumenteerde acceptatie en sign-offs, en met transparante rapportage richting toezichthouder. Transparantie betekent in dit verband niet enkel volledigheid van informatie, maar tevens tijdige escalatie van issues, consistentie in reporting en bereidheid om beperkingen of resterende risico’s expliciet te benoemen. Governance van monitors of independent reviewers, waar opgelegd of verwacht, vereist duidelijke scope, deliverables en cost oversight, met behoud van onafhankelijkheid en een heldere interface met interne functies. Board-level lessons learned dienen te resulteren in governanceverbeteringen die periodiek worden getoetst via effectiveness reviews, zodat de instelling niet slechts reactief handelt, maar aantoonbaar een lerend en duurzaam beheersingsmodel onderhoudt.

Rol van de Advocaat

Previous Story

Handleidingen deelnemen Online zitting

Next Story

Cultuur, gedrag en ethische verantwoordelijkheid binnen organisaties

Latest from Fraude en Economische Criminaliteit